Dagboek van een duursporter: Motivatieproblemen

“In de zomer is iedereen wereldkampioen”, aldus oud-marathonschaatser Jan Kooiman. Inderdaad, in de zomer zijn er voor schaatsers – althans op het ijs – geen meetmomenten om te bepalen wat je waard bent. Je moet het doen met trainingen, testen en misschien een wieler- of skeelerkoersje. Laten deze goede resultaten zien, dan kun je je inderdaad een wereldkampioen wanen. Bij mij persoonlijk ligt er in de zomermaanden juist een ander gevaar op de loer: Een motivatiedip. Het laatste seizoen is gereduceerd tot een verzameling foto’s en een rijtje uitslagen en onder hoge temperaturen lijkt een nieuwe winter nog ver weg. Zijn mijn inspanningen het wel waard? Gelukkig is de dip meestal van korte duur (“Stel je niet aan!”), maar toch wil ik de gedachten die dan door mij hoofd spoken, met je delen. Maak je op voor één van de meest cynische blogs die ik ooit heb geschreven.

“Ik ben maar een lifestylesporter.”

Ten eerste is het goed om te benadrukken dat ik geen professioneel topsporter ben: Ik kan niet van het (marathon)schaatsen leven. Aan de ene kant zou dit geen verschil moeten maken, want ook profsporters worstelen zo nu en dan met motivatieproblemen. Tenminste, dat kan ik me goed voorstellen als sporten je levensmissie is en het even niet gaat zoals gepland. Aan de andere kant is er wel degelijk een verschil tussen een prof en niet-prof. De prof is financieel afhankelijk van zijn of haar sport, dus zal twijfels over motivatie wat sneller aan de kant kunnen en moeten zetten. Daarentegen kan ik aan mezelf vragen: Waar doe ik het nu eigenlijk voor?

“Ik ben hier eigenlijk helemaal niet goed in.”

Een belangrijke reden waarom ik geen professioneel (marathon)schaatser ben, is simpelweg omdat ik niet goed genoeg kan schaatsen. Als ik op jonge leeftijd uitzonderlijk talent had laten zien en betere tijden had gereden op de langebaan, dan was mijn leven misschien anders gelopen. Dat bleek niet zo te zijn, waardoor schaatsen voor mij altijd een – inmiddels uit de hand gelopen – hobby is gebleven.

“Wat ik als ik meer tijd had voor een ander?”

Een andere reden waarom ik nooit volledig voor het schaatsen ben gegaan, is vanwege mijn opleiding. Natuurlijk waren het eerst vooral mijn ouders geweest die het afmaken van school, en eventueel een vervolgstudie, stimuleerden. Wat uiteraard niet gelukt was als ik het zelf niet leuk vond. Gelukkig vond ik een studie die bij me paste en heb ik nu een baan waar ik veel voldoening en plezier uit haal. Vrijwel het grootste deel van mijn tijd besteed ik aan mijn werk, de rest gaat op aan training. Wat me dwars zit is dat ze beide hetzelfde doel dienen: Zelfontwikkeling en -verheerlijking. Ik vraag me wel eens af of ik mijn tijd die ik nu in sport (of werk) steek, niet beter in een ander zou kunnen steken. Vrienden of familie, of juist onbaatzuchtig in onbekenden, door middel van vrijwilligerswerk. Dat is ook één van de redenen waarom ik het belangrijk vinden dat (top)sporters zich na hun actieve periode blijven inzetten voor hun vereniging of sport. Ik hoor je denken: “Makkelijk praten: Eerst zien, dan geloven!” Dat klopt.

“Ik help de wereld alleen maar verder naar de klote”

Dat sporten niet het meest urgent is voor de maatschappij, bleek wel tijdens de (huidige) coronacrisis. Sportevenementen werden als eerste afgelast, de Olympische Spelen werden verplaatst en nog altijd is de vraag in hoeverre de nieuwe internationale wedstrijdkalender van 2020 kan worden afgewerkt. Er is echter nog een ander belangrijk punt op de globale agenda: Klimaatverandering. In hoeverre is sport te verantwoorden op een almaar opwarmende aarde? Voor nu is het te kort door de bocht om sport dan maar af te schaffen. Sport heeft wel degelijk een maatschappelijke waarde. Maar ook als je het niet op professioneel niveau doet? Dienen mijn vliegreizen naar natuurijswedstrijden in Zweden een hoger maatschappelijk doel? En dan hebben we het nog niet gehad over de milieubelasting door ijsbanen… Het zijn dilemma’s waar ik steeds vaker over nadenk.*

“Maar waarom blijf ik nog marathonschaatsen?”

Als je al blij mag zijn dat je kán en mág sporten; als je niet de beste schaatser bent, maar wel lang en hard kan stoempen op natuurijs; als je kan bijdragen aan een team; als je teamgenootjes hebt aan wie je je kunt optrekken en met wie je kunt trainen, lachen en huilen; als je elk jaar nog progressie kunt maken; als je thuis onvoorwaardelijk wordt gesteund en je trouwe supporters hebt die bij elke wedstrijd komen kijken; als je (beginnende) medeschaatsers iets kunt leren over je sport (technisch, tactisch, materieel); als je begeleiding en sponsoren hebt die oprecht in je geloven en er bovendien voor zorgen dat je twee keer per jaar naar écht natuurijs kunt afreizen; als je houdt van koersen, zelfs – of juist – onder barre omstandigheden; als je kan genieten van eindeloos rechtdoor skeeleren over een dijk, om af en toe achter een racefietsers aan te jagen; als je niet met tegenzin aan een zware training begint en niet bang bent om af te zien – daar heb je immers zelf voor gekozen; als je je voor de gek houdt dat de Elfstedentocht nog een keer komt… Waarom zou je dan stoppen?

Natuurlijk besef ik dat het makkelijk is om dit zo op te schrijven, maar waarschijnlijk ben ik niet de enige sporter die hiermee stoeit. Hoe ervaar jij dit? Laat gerust een reactie achter.

*Overigens denk ik dat een duurzame sport niet per se begint bij de internationale top, maar dat ook – of juist – de subtop, amateurs en recreanten kunnen bijdragen aan een groenere sport. In een volgende blog(reeks) wil ik meer aandacht besteden aan hoe ik als sporter zou kunnen bijdragen aan meer duurzame duursport.


Reacties

07 aug. 2020
Nico stad
Ik heb heel veel respect, voor mensen die naast een drukke baan, ook nog aan top-sport doen. Een topper ben je.